Vandaag een aantal artikelen gelezen van Frank Ankersmit. Ankersmit is hoogleraar intellectuele en theoretische geschiedenis aan de RUG en een van de auteurs van het Liberaal Manifest. In een van die artikelen (geen link) trekt Ankersmit van leer tegen het neo-liberalisme. Hij betoogt dat het neo-liberalisme helemaal niet liberaal is en daarom door liberalen krachtig bestreden moet worden. Hij wijst daarbij op twee onwenselijke ontwikkelingen:
- de vervaging van de grenzen tussen de publieke en private sector;
- het idee van marktwerking binnen de overheid .
De eerste gedachte, een scherpe afbakening van het publieke en private domein, was al bij Thorbecke een leidend principe. Ankersmit betoogt dat het neo-liberalisme die scheiding meer en meer opheft. Daardoor worden overheid en markt meer en meer met elkaar verweven, hetgeen tot normvervaging leidt. De bouwfraude is daar in de ogen van Ankersmit een voorbeeld van.
De tweede ontwikkeling, marktwerking in de overheid, wordt door Ankersmit voornamelijk verworpen omdat er voor overheidstaken geen concurrentie bestaat. Aangezien de overheid geen winstoogmerk heeft (want wordt geacht het algemeen belang te dienen) is het idee van marktwerking bij de overheid gedoemt te mislukken. De overheid is geen bedrijf en kent dus ook andere normen en waarden met een daarbij behorende mentaliteit.
Ik ben het met Ankersmit eens. De overheid (dus ook de gemeente) is geen bedrijf. Aan overheidswerknemers (ambtenaren) mogen andere eisen gesteld worden dan aan werknemers in het bedrijfsleven. Ook aan publieke bestuurders (wethouders) worden andere eisen gesteld dan aan leden van (private) raden van bestuur. Dat ligt deels vast in de wet. Maar veel van die ‘eisen’ zijn helemaal niet zo duidelijk geformuleerd. Ik ben geen jurist, dus ik begeef me hier op glad ijs, maar volgens mij is in de wet bijvoorbeeld helemaal niet duidelijk vastgelegd wat met ‘niet vooringenomen bestuur’ (art 2.4 Awb) wordt bedoeld.
Ik ben het met Ankersmit eens dat de vervaging tussen markt en overheid en tussen publiek en privaat tot veel onduidelijkheid leidt. Kijk naar de zogenaamde ZBO’s (zelfstandige bestuursorganen). Dat zijn (private) organisaties die overheidstaken uitvoeren. De politie is daar een voorbeeld van (welk democratisch orgaan controleert de politie?), maar ook de ROC’s (regionale opleidingscentra) worden niet rechtstreeks door een democratisch orgaan bestuurd. In Groningen maakten wij mee dat het COA (centraal orgaan opvang asielzoekers), ook een ZBO, het ene asielzoekerscentrum wilde sluiten en een ander centrum juist open wilde houden. Zonder daarbij door enig politiek orgaan te worden gestuurd of gecontroleerd. Ik schreef er diverse keren over. Ik ben er dan ook gelukkig mee dat in het Liberaal Manifest de VVD zich uitspreekt tegen ZBO’s. (overigens is momenteel zo’n 60% van de overheid vormgegeven als ZBO, zie hier een overzicht)
Dit alles neemt niet weg dat de grenzen niet altijd zo scherp te trekken zijn. De vraag is bijvoorbeeld wat precies ‘overheidstaken’ zijn. Is vervoer over het spoor een overheidstaak? Is het aanleggen, onderhouden en exploiteren van een telefonienetwerk een overheidstaak? De privatisering van de NS is geen succes gebleken. Van enige marktwerking is geen sprake en om nu te zeggen dat de consument er op vooruit is gegaan? Niet echt. Maar de privatisering van de PTT is daarentegen wel een succes. De hele explosie van mobiele telefonie en het grote aanbod van providers laat zien dat daar wel marktwerking is en dat de consument heel veel meer keuze heeft gekregen tegen veel lagere prijzen.
Ook met marktwerking binnen de overheid valt nog wel eer te behalen. Kijk naar het inkoopbeleid van de overheid. Een grotere verzakelijking kan daar tot aanzienlijke kostenbesparingen leiden en daarmee tot efficientere gebruik van publiek geld.
Lees van Ankersmit ook: “Het einde van de geschiedenis en de laatste socialist” uit 1994, een variatie op het beroemde boek van Fukuyama, waarin Ankermit de verschillen tussen PvdA en VVD analyseert, en “Politieke partijen in het tijdperk van onbedoelde gevolgen” (1994), waarin Ankersmit de rol van politieke partijen onderzoekt.