Begin oktober schreef ik over de oververtegenwoordiging van allochtonen in de bijstand. Ik vind die oververtegenwoordiging zorgelijk, want kennelijk is hun integratie nog maar weinig succesvol. De oververtegenwoordiging zegt waarschijnlijk iets over hun opleidingsniveau en mogelijk ook over hun kennis van het Nederlands. Hun positie op de arbeidsmarkt is op z’n zachtst gezegd zorgelijk.
Sinds oktober heb ik een aantal keer getracht dit onderwerp in de Groningse gemeentepolitiek aan te kaarten. Over het algemeen leidde dat tot lauwe reacties. Ook de reacties vanuit het college gaven er niet echt blijk van dat daar het probleem hoog op de agenda staat. Dat is wat mij betreft onterecht. Vandaag bevestigt de voorpagina van de NRC dat dit probleem meer is dan een gedachtenspinsel van mijn persoontje. Het artikel refereert aan twee recente onderzoeken (hier en hier) van het Sociaal Planbureau. “De werkloosheid onder allochtonen in Nederland is sterk gestegen, van bijna tien procent in 2001 tot ruim twintig procent vorig jaar. Onder allochtone jongeren is de werkloosheid zelfs twee keer zo hoog, veertig procent. Dat is twee keer zo veel als onder autochtone jongeren”, aldus het NRC.
In de raadscommissie vergadering van vorige week stelde de directeur werk van de sociale dienst, dat het streven erop gericht moet zijn dat het aandeel allochtonen in de bijstand niet afwijkt van dat van autochtonen in de bijstand. Wat mij betreft maakt een volgend college daar serieus werk van. Daarbij staan mij in iedergeval vier onderwerpen voor ogen:
- het onderwijs zal maximaal bij moeten dragen aan het behalen van adequate opleidingen;
- werkgevers zullen bereid moeten zijn om allochtonen aan te nemen;
- de gemeente zal maximaal moeten inzetten op adequate begeleiding van allochtonen;
- en de allochtonen zelf zullen zich moeten realiseren dat zonder opleiding en zonder eigen inzet het niet zal lukken.